Het grootste deel van de Europese wetgeving wordt sinds het Verdrag van Lissabon vast gesteld door het Europees Parlement en de Raad van de Unie.

De eerste stap wordt meestal genomen door de Europese Commissie, die het voorstel voorlegt aan het Parlement en de Raad.

Eerste lezing
Het standpunt van het Europees Parlement wordt vastgesteld doormiddel van een stemming. De wetstekst wordt vastgesteld door de Raad.

schema_codecision_1

Tweede lezing
Wanneer de Raad het niet eens is met eventuele wijzigingen van het Parlement, neemt de Raad een standpunt in. Het EP kan reageren binnen drie maanden, wanneer zij dat laten of het standpunt goedkeuren wordt de versie van de wetstekst aangenomen naar het standpunt van de Raad.

schema_codecision_2

Derde lezing
Op het moment dat de Raad eventuele wijzigingen van het Parlement uit de tweede lezing verwerpt, wordt er een bemiddelingscomité ingezet om een compromis te vinden. Het comité bestaat uit 27 leden van de Raad en evenveel leden uit het Parlement. Bij goedkeuring van beide organen wordt de wetstekst vastgesteld.

schema_codecision_3

In alle fasen kan het voorstel worden verworpen, maar voordat een voorstel wordt ingediend is het vaak al vele malen besproken in zowel de Raad als het Parlement.

Invloed Nederland
Op het moment dat één derde van de nationale parlementen een voorstel liever nationaal behandelt, kan er een gele kaart procedure ingesteld worden. Dit betekent dat de Commissie opnieuw het voorstel in overweging neemt en eventueel verantwoordt waarom het voorstel toch van belang is. De oranje kaart procedure start op het moment dat de helft van de nationale parlementen het voorstel verwerpt. De Commissie besluit dan of het voorstel van tafel gaat. Nederland kan als lidstaat ook naar het Hof van Justitie stappen om een voorstel tegen te werken.

Tags